Het Belgisch-Frans en de "Belgicismen" [fr]

Waals, regionaal Frans en gemeenschappelijk Frans in België:
Personen die regionaal Frans spreken worden heel vaak verward met diegenen die Waals spreken. Ze vertegenwoordigen echter een volledig andere taalkundige realiteit. De Petit Robert beschouwt het Waals nog als een “regionale verscheidenheid van het Frans in België”. Taalkundig gezien is dit niet correct.

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de drie volgende begrippen: Waals, regionaal Frans en gemeenschappelijke Frans.

1. Waals

De sprekers van het Waals (eenvoudig gezegd: het Waals) behoren tot de langues d’Oïl. Daardoor kunnen ze taalkundig gesitueerd worden ter hoogte van het ‘Francien’ (een oude dialectenvorm van Île-de-France). Uit deze dialectenvorm kwamen ook andere dialecten voort: het huidige Frans, het Picardisch (gesproken van het noorden van Parijs tot in het zuiden van Brussel), het Normandisch, het Gallo-bretons, het Poitevin, het Champenois, het Morvandiau…
Net als het Frans is het een taal die zijn eigen evolutie gevolgd heeft van het Latijn dat werd gesproken in het noordelijke deel van het huidige Frankrijk en in het Franstalige deel van België.

2. Het regionaal Frans

De verschillende soorten regionaal Frans in België zijn simpelweg regionale variëteiten (die men ook dialecten noemt) van het gemeenschappelijk Frans van Frankrijk. Deze regionale variëteiten kwamen tot stand door het contact met Waalse en Vlaamse sprekers. In tegenstelling tot het Waals (wat een Franstalige niet direct begrijpt) zijn deze variëteiten in het algemeen verstaanbaar voor elke Franstalige.

Het regionale karakter van deze Belgische dialecten is min of meer uitgesproken en verschilt vaak van generatie tot generatie: De oude generaties die enkel Frans gebruikten wanneer dit nodig was (en zich anders altijd in het Waals uitdrukten) zullen variëteiten spreken die meer naar het dialect toegaan en vol met regionalismen zitten. Dit geldt zowel voor de uitspraak als voor het lexicon en de syntaxis. Het is soms moeilijk om hen te begrijpen. Dit komt heel vaak voor in Brussel, dat is een geprivilegieerde contactzone waar een gemengde taal ontstaan is. Het Brussels dat gesproken wordt in de Marollen is een soort Franco-Vlaams creools en is volledig onverstaanbaar voor Franstaligen. Die wijk (de Marollen) was bovendien bijna grotendeels vernietigd door de bouw van het Justitiepaleis.

3. Het algemeen Frans

Naast het Waals en het regionaal Frans is er ook nog het algemeen Frans. Theoretisch gezien gaat het om het standaard Frans zoals het Frans wordt gesproken in Frankrijk. In de praktijk is het echter anders: een Franstalige Belg gebruikt vaak twee taalregisters: een niveau waar de uitspraak zeer nauw in de gaten wordt gehouden (een uitspraak die zeer nauw aanleunt bij het standaard Frans), en een “losser” niveau waar er plaats is voor de invloed van het regionaal Frans van België.

Enkel op dit niveau (van het algemeen Frans in België) krijgen we te maken met ‘belgicismen’. Wanneer het echter gaat om een regionale variëteit van het Frans in België, kunnen we dat echter niet meer definiëren als een ‘belgicisme’ De definitie van een dialect stelt immers dat het geregionaliseerd is ( dus gebaseerd op ‘belgicismen’ in het geval van België).

Onder ‘belgicismen” (als we ons beperken tot het lexicaal domein) verstaan we dus alle uitdrukkingen die deel uitmaken van het algemeen Frans in België en die niet behoren tot het Frans van Frankrijk.

Door deze (lexicale) ‘belgicismen’ is het meestal mogelijk om een Belgische spreker die het Frans als moedertaal beheerst sneller te herkennen dan door zijn/haar ‘Belgisch’ accent. Dat ‘accent’ is immers een zeer subjectief begrip (en soms variabel bij eenzelfde spreker).
[Er bestaan verschillende uitspraakkenmerken die typisch zijn voor bepaalde Franstalige regio’s in België. Deze kenmerken zijn terug te vinden in het ‘algemeen’ Frans van België (die beïnvloed wordt door regionale taal). Het gaat om verschillende regels in verband met de perceptie van de klinkerduur of om de afwezigheid van de semimedeklinker [Ч] die vervangen wordt door de klinker [w]. Het voegwoord ‘puis’ wordt bijvoorbeeld uitgesproken als [pwi], etc. Het zou echter een te lange lijst zijn om hier een volledige weergave te geven van deze verschillen.]

De oorsprong van ‘belgicismen’

De hieronder vermelde uitdrukkingen hebben een verschillende oorsprong. In het algemeen kunnen we ze echter groeperen in twee grote categorieën naargelang hun interne lexicale evolutie (volgens procedés die vergelijkbaar zijn met die van de productie van het Frans lexicon in Frankrijk.), of volgens de externe invloed (het algemene fenomeen van de ontlening), afkomstig van regionale variëteiten van het Frans van België, Vlaams (enkelen spreken dan van een “flandricisme”), of Waals (“wallonismes”).

De ontleningen uit het Vlaams zijn gemakkelijk herkenbaar aangezien ze hun originele vorm behouden, deels of geheel met lichte orthografische wijzigingen.

Andere Vlaamse woorden met een algemener gebruik in het Frans taalgebied van België zijn zeer verfranst. Voor deze woorden is het bijgevolg moeilijk om hun Germaanse oorsprong te achterhalen. Dit is het geval bij woorden als ‘couque’ (een variëteit van een zoet broodje), ‘crolle’ (een haarkrul), ‘kermesse’ ( kermis). Het gebruik van deze woorden heeft zich verspreid over Frankrijk.

Ten slotte, veel uitdrukkingen van Vlaamse oorsprong komen voor in een vertaalde vorm. De Vlaamse uitdrukking wordt meestal semantisch woord voor woord gereproduceerd om tot de Franse uitdrukking te komen. Dit is onder meer het geval bij: ‘avoir des ruses avec quelqu’un’ (iemand het moeilijk maken), of “faire de son nez” (van zijn neus maken),”tenir le fou avec quelqu’un” (de zot houden met iemand).

Hieronder geven wij u nog een selectie van de meest voorkomende belgicismen:

Belgicisme - Français - Nederlands

Être en affaires - Être dans tous ses états - In alle staten zijn

Accroche-pied - Croc-en-jambes - Een beentje lichten

Acter - Prendre acte - Acte nemen

Faire des affaires - Compliquer les choses - Zaken bemoeilijken

Aujourd’hui matin - Ce matin - Deze ochtend

Babeler - Bavarder - Babbelen

Donner une baise - Faire la bise - Een kus geven

Bande de circulation - Voie de circulation - Een transportband

Biesse - Bête - Dom/Beest

Bloquer - Etudier - Studeren, ‘blokken’

Boule - Bonbon, friandise - Snoepje

Brette - Dispute - Geschil

Cigare - Réprimande - uitbrander

Couper au court - Prendre un raccourci - Een hoek afsteken

Dringuelle - Pourboire - Fooi, (‘drinkgeld’)

Gazette - Journal - krant

Maf - Fou - Zot, (‘maf’)

Margaille - Bagarre - ruzie

Mettez-vous! - Installez-vous ! - Gaat u zitten

Faire de son nez - Faire l’important - Van zijn neus maken

Nonante - Quatre-vingt-dix - Negentig

Peler - Ennuyer - Vervelen

Plaquer - Coller - Kleven, plakken

Poter - Boire un pot - Een glaasje(wijn) drinken

Potferdek! - Nom d’un chien ! - Potverdikke

Poussette - Caddie - caddie

Prober - Essayer - proberen

Proficiat! - Bravo ! - Proficiat !

Roulage - Circulation routière - Verkeersstroom

Septante - Soixante-dix - Zeventig

Stoeffeur - Vantard - opschepper

Tomber de son jus - Etre très étonné - Van zijn melk zijn

Tirer son plan - Se débrouiller - Zijn plan trekken

Toquer à la porte - Frapper à la porte - Aan de deur kloppen

Vacature - Vacance d’un emploi - Vacature

Vider la place - Quitter les lieux - Weggaan

Vlek - Chose sans valeur - Een waardeloos ding

Zinneke - Corniaud - stommeling

Zot - Corniaud - uilskuiken

Zwanzer - plaisanter - Voor de gek houden

Deze weergave is gebaseerd op gespecialiseerde werken en referenties. De ambassade neemt hierover geen standpunt in aangezien dit thema behoort tot de taalwetenschap.

Gepubliceerd op 06/04/2017

bovenaan de pagina